Hét gezin bestaat niet meer

Hét gezin bestaat niet meer

Hét gezin bestaat niet meer

Vijftig jaar geleden was het concept ‘gezin’ alsook het levenspad van de gemiddelde Vlaming vrij duidelijk. Verliefd, verloofd, getrouwd was het stramien en in de grote meerderheid van de huishoudens kwamen daar nog enkele kinderen bij. Het relatie- en gezinslandschap ziet er anno 2017 heel anders uit.

Het gezin in Vlaanderen 2.0

Niet alleen is er naast het klassieke gezin een veel grotere verscheidenheid aan gezinsvormen, denk maar aan eenoudergezinnen, nieuw samengestelde gezinnen, feitelijk en wettelijk samenwonenden, holebigezinnen, … Ook het relatieverloop van de gemiddelde Vlaming kent een gevarieerder parcours.

Op hun jaarlijkse studiedag stelde het Kenniscentrum van het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen het boek “Het gezin in Vlaanderen 2.0” voor. Dirk Luyten bestudeerde hoe het gezin evolueerde van 1970 tot nu en daarin zijn enkele opvallende trends te bespeuren.

Sterke opmars van de singles

De sterkst groeiende groep in vergelijking met 50 jaar geleden zijn de alleenwonenden. Met 857 000 zijn ze in 2016 (31% van alle huishoudens) t.o.v. 240 000 in 1970 (14%). Deze toename is te verklaren door een toename van de bevolking alsook de vergrijzing van de bevolking. Een derde factor is een stijging van het aantal echtscheidingen, waarbij de zogenaamde ‘grijze’ scheidingen ook toenemen. Het grootste deel van de alleenwonenden is ook effectief single. Een kleiner aantal alleenwonenden hebben wel een relatie maar wonen niet samen.

Trouwen of samenwonen?

In de jaren ‘60 en ‘70 was er een sterke koppeling tussen het gezin en het huwelijk. Het huwelijk was moreel gezien een voorwaarde om te mogen samenwonen en kinderen te krijgen. Vandaag ligt dat heel anders. De meeste Vlamingen gaan eerst gemiddeld 2 jaar samenwonen vooraleer ze trouwen. En sommigen hebben al kinderen als ze in het huwelijksbootje stappen.

De populariteit van het huwelijk daalt ten voordele van het wettelijk samenwonen. In 2015 werden 25.000 huwelijken afgesloten, in 1970 waren er dat nog 42.000, een daling met 40 procent. Het aantal echtscheidingen vervijfvoudigde bijna van 2.500 in 1970 naar 11.800 in 2015. De kans op een echtscheiding en de kans op de ontbinding van wettelijke samenwoning is ongeveer gelijk. De kans op de ontbinding van een samenwonen zonder wettelijke regeling, blijft groter dan bij gehuwd samenwonen.

Zowel het samenwonen als huwen gebeurt op een latere leeftijd. De gemiddelde leeftijd bij mannen die voor het eerst huwen is 33 jaar. In 1970 was dit 24 jaar.

De helft van de gezinnen bestond vorig jaar uit gehuwde partners, terwijl dat 15 jaar geleden nog 76 procent was. Het aantal partners dat ongehuwd samenwoont, steeg in dezelfde periode van 3 tot 20 procent.

En het partnerschap?

De verbondenheid met een partner blijft voor de meeste mensen heel belangrijk. Onder de 40-plussers heeft 90% van de mannen en 95% van de vrouwen ooit samengewoond en 80% van de mannen en 85% van de vrouwen heeft samengewoond met een kind. Uit onderzoek blijkt trouwens ook dat partner- en ouderschap een belangrijke bron van geluk is.

Ook na echtscheiding verlangen de meeste mensen opnieuw naar een partner in hun leven. Tien jaar na de echtscheiding woont 80% weer samen met een partner.

Meer dan vroeger zien we vandaag veel meer dynamiek in partnerschap en samenleefvormen. Partners kunnen gehuwd zijn, uit elkaar gaan, een tijdje alleen wonen, een nieuwe relatie aangaan, weer een tijdje single zijn, een LAT-relatie aangaan, ongehuwd samenwonen, een nieuw samengesteld gezin vormen, …. De relatie- en gezinsvorm waarbinnen men leeft ligt dus niet meer vast voor het leven, maar kan verschillende vormen aannemen. Men is dus niet meer of single, of samenwonend of gehuwd met één partner. Een variëteit van deze vormen volgt elkaar vaker op met verschillende partners.

Wat nu met het gezin?

Kerngezin met kinderen, alleenstaand met kinderen, nieuw samengesteld gezin, alleenwonend, … het is voor veel mensen in verschillende periodes van hun leven de realiteit. Er zijn hetero- en holebi-koppels, ouders die biologische kinderen grootbrengen en ouders met pleeg- of adoptiekinderen, gezinnen met een migratie-achtergrond enz.

Het klassieke ‘kerngezin’ zoals we dat kennen uit de jaren ’70 kan dus niet meer niet de norm zijn. We zien een evolutie van hét gezin naar een veelheid van gezinnen gekenmerkt door meer dynamiek, flexibiliteit en diversiteit. Uitdaging voor het beleid zal zijn om zich af te stemmen op deze grote diversiteit aan gezins- en relatievormen.

Binnen deze grote verscheidenheid benadrukt Luyten toch ook het eigene van een gezin. “We pleiten ervoor om een duidelijker onderscheid te maken tussen gezinsrelaties en andere sociale relaties”, zegt Luyten in Weliswaar. “Gezinnen zijn geen willekeurige netwerken, het zijn sterke sociale netwerken die van een eigen orde zijn. Hoewel gezinnen soms bijzonder kwetsbaar zijn, zien we dat gezinsrelaties meer dan andere sociale relaties blijvend en niet vrijblijvend zijn. De leden van een gezin kunnen spontaan rekenen op solidaire ondersteuning, opvang en zorg gewoon omdat men familie is van elkaar. Daarmee willen we ook niet zeggen dat men alle zorg en opvang op de gezinnen moet afschuiven. Wij pleiten er wel voor om de maatschappelijke waarde van gezinnen en het bijzondere van gezinsrelaties meer te benoemen en te ondersteunen, zonder daarbij een bepaald gezinstype als ideaal voorop te stellen.”

 

Bronnen:

www.hig.be

www.weliswaar.be

 

 

 

Related posts

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *